Samenvatting
Dit hoofdstuk behandelt de programma's die je nodig hebt voor kantoorgebruik. We demonstreren volgende zaken:
Hoe schrijf ik een brief?
Hoe druk ik een bestand af?
Hoe sluit ik de printer aan?
Klik het printer icoon in de taakbalk van het bureaublad, of selecteer -> uit het hoofdmenu. De print manager start op. Als er nog geen printers bekend zijn op je computer, krijg je de volgende melding:
Druk om verder te gaan. Printers instellen is een taak voor de systeembeheerder, dus moet je het root wachtwoord kennen. Druk als je het opgegeven hebt.
Je krijgt het hoofdvenster van de print manager te zien. Als er nog geen printers ingesteld zijn, is het witte invoerveld leeg.
Klik op de knop om een printer in te stellen.
Een wizard programma start, dat je door de configuratie zal leiden.
Druk om naar het volgende scherm te gaan.
Hier dien je een naam voor je printer te bedenken, en eventueel een beschrijving. Beschrijvingen zijn handig als je meerdere printers hebt.
Deze printer heet gewoon “printer”, zoals voorgesteld door het programma.
Klik om verder te gaan.
In het volgende venster dien je het wachtrijtype op te geven. Er zijn twee mogelijkheden die vaak voorkomen: de netwerkprinter en de lokale printer. Je kan beide soorten makkelijk onderscheiden:
Netwerkprinter: hangt niet rechtstreeks aan je computer, staat misschien zelfs niet eens in dezelfde kamer.
Lokale printer: er gaat een tamelijk dikke kabel van de printer rechtstreeks naar je computer. Door de korte lengte van de kabel staat de printer gewoonlijk niet ver van de computer vandaan.
Lees in geval van twijfel de handleiding van je printer, daarin vindt je wat voor een type jij hebt.
Hieronder zie je de configuratie van een netwerkprinter: gebruik het Internet Printing Protocol (IPP), geef de naam van de printserver op en de naam van de wachtrij op die server.
Thuisgebruikers hebben vaak een printer die direct op de computer aangesloten is. In dat geval maak je onderstaande configuratie: kies als wachtrijtype “Lokaal verbonden” uit het menu. Klik ook het printer device, /dev/lp0 aan, zodat het blauw gemarkeerd is.
De verdere procedure is hetzelfde voor het aanmaken van zowel lokale als netwerkprinters.
Klik om verder te gaan.
Nu dien je het merk en type van je printer te selecteren uit de lijst.
Deze informatie kan je meestal ook op de printer zelf vinden.
Druk om verder te gaan.
Alle informatie is nu verzameld om de printer te configureren. Druk om de printer te activeren.
Je kan nu kiezen om een testpagina aan te maken. Druk en controleer of de printer afdrukt.
De Print Manager vraagt of het afdrukken geslaagd is:
Druk als alles goed is. De printer is nu zichtbaar in het Print Manager venster. Programma's als Mozilla en OpenOffice kunnen hem nu gebruiken.