De grafische omgeving

Inleiding

De gemiddelde gebruiker heeft misschien geen boodschap aan alle aanpassingen die je kan aanbrengen aan je grafische omgeving. Maar Linux biedt ook een waaier aan mogelijkheden op grafisch gebied: hippe venster- en bureaubladmanagers, applets en allerlei toeters en bellen voor de grafische omgeving. Het gebruik en de instellingen van het bureaublad is eenvoudig genoeg:

Handeling met de muis.

  • Open het menu SysteemVoorkeuren.

  • Selecteer het onderdeel dat je wilt bekijken en/of wijzigen, bijvoorbeeld Schermbeveiliging.

  • Maak de gewenste instellingen.

  • Sluit het venster met behulp van de knoppen, zoals de OK knop of de Sluiten knop.

De veranderingen blijven bewaard voor alle volgende sessies.

Als je meer wilt weten over de instellingen van het bureaublad, druk je op het reddingsboei ikoon bovenaan in de taakbalk. De bijgeleverde documentatie is vrij volledig en zeer makkelijk te begrijpen, daarom gaan we hier verder niet in op de instellingen van de bureaubladomgeving. Kies de instellingen die je zelf leuk vindt en lees daarna verder over de onderliggende mechanismes.

[Tip]Geen reddingsboei?

Als je om de een of andere reden geen ikoontje van de reddingsboei vindt, start dan het Gnome hulpprogramma met het commando gnome-help.

Het X Window Systeem

Het X Window Systeem is een venstersysteem dat transparant via het netwerk gebruikt kan worden. Het is het mechanisme dat ervoor zorgt dat applicaties hun vensters op het scherm kunnen zetten. Alles wordt aangedreven door de X server. Dit is een daemon programma dat input van de gebruiker aanneemt, via de muis en het toetsenbord, en output van verschillende programma's regelt. Anders gezegd: de X server zorgt ervoor dat je beeld hebt, in plaats van enkel witte letertjes op een zwart scherm, zoals in pure tekst mode het geval is. Bovendien zorgt deze server er ook voor dat je de muis kan gebruiken om de beelden op je scherm te manipuleren.

Alle programma's die je tot nu toe opgestart hebt op je computer, draaien lokaal op je computer; ze komen niet van een andere computer op het netwerk. Het zijn clients van de X server. De X server kan er echter voor zorgen dat je bijvoorbeeld een rekenprogramma op een andere, krachtiger computer opstart, maar dat de output (het scherm van dat programma waarin je met de muis en het toetsenbord data kan beheren) naar je eigen computer gestuurd wordt. Gewoonlijk draaien X server en X clients op dezelfde machine, maar dat hoeft dus niet per se.

[Opmerking]Client?

Letterlijk: klant, een programma dat afhankelijk is van een server om data te kunnen verwerken. Bijvoorbeeld: je E-mail programma is een client van de E-mail server.

[Tip]Meer weten?

De web site http://www.x.org geeft meer achtergrond informatie over de X server en veel van de client programma's.

Displays

Vanuit het standpunt van de gebruiker heeft elke X server een display naam, dat is de definitie van de plaats waar de beelden van deze server getoond zullen worden. De display naam neemt de volgende vorm aan:

computernaam:displaynummer.schermnummer

Deze informatie wordt gebruikt door de clients om te weten hoe en waar ze met de X server moeten verbinden. Ze bestaat uit drie componenten:

  • computernaam: deze component bepaalt de naam van de client machine waaraan de display (het scherm) fysiek verbonden is. Als de computernaam niet gespecifieerd wordt, wordt verondersteld dat de lokale machine (in het Engels: localhost) bedoeld wordt.

  • displaynummer: de term display wordt gewoonlijk gebruikt om te verwijzen naar een collectie schermen die een gemeenschappelijk toetsenbord en muis hebben. De meeste werkposten hebben natuurlijk slechts één enkel scherm en daarom slechts één enkele display. Maar grotere multi-user systemen hebben vaak wel meerdere displays. Om verwarring te vermijden, krijgt elke display een nummer. De nummering start vanaf 0 (nul).

  • schermnummer: Sommige displays delen het toetsenbord en de muis met verschillende schermen. Omdat elk scherm zijn eigen set van vensters heeft, krijgt het een schermnummer, zodat de X server weet naar welk scherm exact de output voor een bepaald programma gestuurd moet worden. Als er geen schermnummer opgegeven is, wordt scherm nummer 0, het eerste scherm, verondersteld.

De informatie over de display wordt opgeslagen in de variabele DISPLAY. Die variabele wordt automatisch ingesteld door je terminal programma, xterm. Wanneer je echter via het netwerk op andere machines terecht komt, kan het zijn dat die variabele niet ingesteld is. In dat geval zal je het zelf moeten doen. We komen hierop terug in het vierde lespakket.

Venster- en bureaubladmanagers

De manier waarop vensters op je scherm geplaatst worden, is afhankelijk van een speciale toepassing, de venstermanager (in het Engels: window manager). Sommige window managers werken automatisch, zoals de onze. Bij andere moet je echter voor elk venster dat geopend wordt, zelf aangeven hoe groot dat venster moet zijn. De manier van plaatsen wordt ook wel eens de layout van het scherm genoemd.

Een venstermanager verzorgt enkel de plaatsing van de vensters. Alles wat errond hangt, zoals menu's, schuifknoppen, open- en sluitknopjes, kleurranden en balken, wordt bepaald door de bureaubladmanager (in het Engels: desktop manager). Op Ubuntu gebruiken we standaard de Gnome Desktop Manager, gdm. Dat kan je nagaan met het commando

Handeling met de muis.

ps -ef | grep gdm

Ook KDE, dat andere bureaubladsysteem, heeft een bureaubladmanager, kdm. Als je straks graag eens een programma zou gebruiken dat meegeleverd wordt met de KDE omgeving, is dat geen probleem. KDE programma's kunnen ook in Gnome draaien, en omgekeerd.

Instellingen van de X server

Het voornaamste configuratiebestand voor de X server is op ons systeem /etc/X11/xorg.conf. Soms moet je dit bestand bijwerken, bijvoorbeeld als je een nieuw scherm hebt aangeschaft dat een hogere resolutie aankan.

Het editeren van dit bestand is een riskante zaak: als je iets fout doet, kan dat schade toebrengen aan je scherm. In minder erge gevallen kan het zijn dat je gewoon geen beeld meer hebt. Mocht het nodig zijn, ga dan als volgt te werk:

  1. Maak een backup kopie van de hele configuratiemap:

    cp -r /etc/X11/xorg.conf ~/xorg.conf.bak

  2. Pas de veranderingen toe, bijvoorbeeld de schermresolutie instellen via SysteemVoorkeurenSchermresolutie.

Veel van de instellingen die we in de volgende sekties bespreken, hebben ook betrekking op het bestand /etc/X11/xorg.conf. Ook voor die veranderingen neem je dus best een kopietje van het bestand, mocht het misgaan dan kan je het altijd terug plaatsen, opnieuw inloggen en alles is weer terug bij het oude. Noteer dat je voor het terugplaatsen van dit bestand administratieve rechten nodig hebt. Gebruik het volgende commando als er iets misloopt - eventueel in pure tekst mode als het goed fout gelopen is:

sudo cp -r ~/xorg.conf.bak /etc/X11/xorg.conf

Het systeem zal je dan je wachtwoord vragen. Geef het in en de opdracht wordt uitgevoerd.

[Opmerking]De administratieve gebruiker

Later heb je misschien meerdere gebruikers op het systeem. Bovenstaand commando kan enkel uitgevoerd worden door de gebruiker die bij de installatie van Ubuntu administratieve rechten gekregen heeft. In het vakjargon heet deze gebruiker root. Deze gebruiker is oppermachtig op het systeem. Om veiligheidsredenen kan je op Ubuntu echter niet direct toegang hebben tot het account van deze gebruiker. Je moet altijd met sudo werken.

Het sudo staat dan ook voor “switch user do”. Aangezien de switch zonder opties impliceert dat je iets wilt doen als de administratieve gebruiker, root, zegt men ook wel eens dat sudo staat voor “super user do”, letterlijk: “voer dit commando uit als de baas van het systeem”.