Inhoudsopgave
Samenvatting
In dit hoofdstuk bespreken we de basisfunktionaliteiten van een PC op het netwerk:
Wat je moet weten over netwerken.
Netwerktoegang configureren.
Informatie opvragen over de netwerkinstellingen.
Internet/Intranet toepassingen zoals mail, web en FTP.
Informatie opvragen over andere computers op het netwerk.
Programma's uitvoeren op andere computers.
Let wel: we leggen in deze cursus niet uit hoe je je eigen netwerk bouwt. Daarvoor is een boel meer achtergrondkennis nodig, systeembeheerkennis om te beginnen. Wat wel uitgelegd wordt is hoe je via je Linux machine op een bestaand netwerk kan verbinden.
Een netwerk van computers kan je vergelijken met een straat met huizen: via de straten kan je naar andere huizen, andere steden en andere landen. Elk huis wordt bepaald door een huisnummer, een straatnaam, een stad en een land. Bij computers is het ongeveer net zo, alleen worden de gegevens voorgesteld door 4 getallen: het IP adres.
Het IP of Internet Protocol adres wordt niet alleen voor Internet gebruikt, maar ook voor netwerken die niet publiek toegankelijk zijn, zoals dat van je bedrijf of dat bij je thuis. Het IP adres van een computer heeft de vorm a.b.c.d, met a, b, c en d elk getallen tussen 0 en 255.
Elke netwerkinterface moet een IP adres hebben om via het netwerk data te kunnen uitwisselen. Een netwerkinterface, zoals een netwerkkaart of een draadloze netwerkkaart, kan je je voorstellen als de brievenbus van een huis.
Er zijn twee grote soorten IP adressen:
Een vast IP adres: blijft altijd hetzelfde, je kiest het eenmaal of krijgt het toegewezen van de netwerkbeheerder.
Een dynamisch IP adres: kan variëren, het wordt toegewezen door een DHCP server. DHCP staat voor Dynamic Host COnfiguration Protocol. Een DHCP server kan niet alleen IP adressen toewijzen, maar ook andere informatie, nodig voor comfortabel gebruik van het netwerk, doorgeven. Dynamische IP adressen worden veel gebruikt in bedrijfsomgevingen en door Internetaanbieders voor particulieren.
Welk soort IP adres je ook gebruikt, het moet altijd uniek zijn. Als twee computers op hetzelfde netwerk hetzelfde adres hebben, loopt het mis. Het zou zijn alsof je het verkeerde huisnummer op een brief schrijft: de data komt op de verkeerde plaats toe. Kies dus nooit zomaar een adres. Vraag raad aan je netwerkbeheerder of je Internet provider als je niet weet welk type adres je moet kiezen.
Omdat het voor mensen moeilijk is om reeksen van getallen te onthouden, geven we de computer naast een IP adres ook een naam. Net zoals het IP adres, moet een computernaam, ook wel hostname genoemd, uniek zijn binnen eenzelfde netwerk.
Ook al gebruiken wij mensen liever namen dan nummers, intern gebruiken de computers enkel nummers. De lijsten van namen en bijhorende nummers worden bijgehouden op een DNS server. DNS staat voor Domain Name System. Zowel computers als netwerken hebben een naam en een nummer. Een netwerknaam wordt ook wel een domeinnaam genoemd. Elke computer op een netwerk heeft naast een computernaam ook een domeinnaam. Je kan het vergelijken met de naam van de stad in het adres van een huis.
Als je manueel een vast IP adres instelt, moet je veelal het IP adres van de DNS server kennen. Krijg je daarentegen de netwerkinformatie van een DHCP server, dan zal die vaak de informatie over de DNS server meesturen en hoef je je er verder niets van aan te trekken.
![]() | Al ingesteld |
|---|---|
De computernaam heb je al ingesteld tijdens de installatie van de computer (zie de paragraaf “Computernaam”). Zelfs als je toen niet over netwerktoegang beschikte, heb je toch een naam moeten ingeven voor je computer. |
Net zoals wij via wegwijzers en verkeerswisselaars onze weg vinden naar een andere stad of naar een ander land, zijn er op een computernetwerk machines die het verkeer leiden. Zulke machines noemt men routers. Je computer moet altijd met minstens 1 router contact kunnen maken, anders kan hij geen data naar een ander netwerk sturen of data van een ander netwerk ontvangen.
Stel je zelf het IP adres van je computer in, dan moet je ook het IP adres van een router opgeven. Deze router wordt ook wel eens default gateway genoemd, de standaard weg naar andere netwerken (zie figuur 11.1). Als je via een DHCP server netwerkinformatie krijgt, hoef je je hier eens te meer niets van aan te trekken.
![]() | Soorten netwerken |
|---|---|
Er zijn vele verschillende soorten netwerken. Het meest gebruikt is het TCP/IP netwerk. Dit is ook het type netwerk dat op het Internet gebruikt wordt. We gaan ervan uit dat je computer zich in dit soort netwerk bevindt. |
Als je nog geen netwerkverbinding hebt, ga je als volgt te werk om de netwerkkaart in te stellen:

Ga na of je een vast IP adres moet instellen of een dynamisch (via DHCP). Je netwerkbeheerder kan je hierbij helpen. Alternatief kan je ook in je MS Windows configuratie opzoeken wat de instellingen voor dat besturingssysteem zijn: open → → . Selekteer en klik . Als je de IP en DNS instellingen automatisch verkrijgt, wil dat zeggen dat je DHCP gebruikt. ALs je zelf getallen moet invullen, heb je een statisch (vast) IP adres.
Open het menu → → om de netwerkinstellingen te beginnen. Je moet aangemeld zijn als de gebruiker met administratieve rechten. Geef je wachtwoord in om toegang te krijgen.
Selekteer in het tabblad
Klik .
Voor een dynamisch IP adres: zie de paragraaf “Een dynamisch IP adres instellen”. Voor een vast IP adres: zie de paragraaf “Een vast IP adres instellen”.
Volg deze procedure voor het instellen van een draadloze netwerkkaart:

Maak de draadloze verbinding aktief in → → in het tabblad “Verbindingen”.
Merk op dat de “Standaard gateway” nu wlan0 is, de draadloze interface.
Om verwarring te voorkomen, zorg je er best voor dat de “Ethernetverbinding” en/of “Modemverbinding” niet aktief zijn.
Klik .
Vink het vakje “Deze verbinding activeren” aan, mocht dat nog niet het geval zijn.
Kies de naam van het netwerk. Hiervoor moet er ergens in de omgeving draadloze netwerktoegang beschikbaar zijn.
Eventueel moet je voor je draadloze netwerk een sleutel opgeven. Een beveiligd draadloos netwerk laat geen gebruikers toe die niet in het bezit zijn van een sleutel (te vergelijken met een wachtwoord).
Draadloze netwerken gebruiken meestal de configuratietechniek, zie de paragraaf “Een dynamisch IP adres instellen”.
Klik .
Let erop dat in het tabblad de draadloze interface als standaard gateway ingesteld is. Selekteer hiervoor onderaan in plaats van .
Een vast IP adres instellen is iets ingewikkelder. Voer volgende gegevens in in de eigenschappen van de interface (al dan niet draadloos):

Selekteer .
Selekteer als configuratie .
Geef het IP adres in.
Geef de waarde voor het subnetmasker in.
Geef het IP adres van de gateway in.
Klik .
De veranderingen worden opgeslagen in de bestanden /etc/hosts en /etc/network/interfaces.
Waarschijnlijk zal je ook DNS instellingen manueel moeten maken als je een vast IP adres hebt. Doe dit als volgt:

Selekteer in de eigenschappen van de kaart het tabblad .
Klik naast het vak “DNS-servers”.
Er komt een lijn “soort adres” in het vak “DNS-servers”.
Klik op deze lijn en vul het IP adres van de DNS server in.
Voeg eventueel een tweede DNS server toe.
Klik naast het vak “Zoekdomeinen”.
Er komt een lijn “soort adres” in het vak “Zoekdomeinen”.
Vul je domeinnaam in.
Voeg eventueel nog andere zoekdomeinen in.
Klik .
Deze instellingen vind je terug in /etc/resolv.conf.
![]() | Gebruik van vaste IP adressen |
|---|---|
Voor eindgebruikers komt het niet veel voor dat een vast IP adres nodig is. We vermelden deze instelling enkel voor de gebruikers die thuis een netwerkje hebben en geen gebruik maken van dynamische IP adressen via DHCP. In de bedrijfswereld worden vrijwel uitsluitend dynamische IP adressen gebruikt voor de netwerkinstellingen van de computers die voor bureauwerk gebruikt worden. |
![]() | Kies niet zomaar een adres |
|---|---|
Kies niet zomaar een IP adres. Als je een adres kiest dat niet in het juiste netwerk ligt, krijg je geen verbinding. Kies je het adres van een bestaande computer, dan zullen er problemen optreden voor de twee computers die hetzelfde adres hebben. Neem ook niet het adres uit het voorbeeld, dit is volledig fictief en heeft zelfs niets te maken met de andere voorbeelden in de cursus, omdat we ervan uitgaan dat DHCP het meest populair is. |

Selekteer in de eigenschappen van de kaart (al dan niet draadloos) en kies als type voor de configuratie . Klik .
De instellingen worden vastgelegd in het bestand /etc/network/interfaces.
![]() | Je Internet verbinding thuis |
|---|---|
De meeste Internet providers voor particulieren werken vandaag de dag met DHCP. Indien je via de telefoonlijn met Internet verbinding maakt, dien je de modem in te stellen. Deze methode raakt echter meer en meer in onbruik, doordat in Vlaanderen vrijwel iedereen toegang heeft tot snelle Internetverbindingen via de kabel of via ADSL (Belgacom, Telenet, Skynet, ...). We gaan in deze cursus dan ook niet verder in op verbindingen met een modem. Vraag je Internet aanbieder om raad indien je een modem moet instellen. |
![]() | Het systeem bijwerken |
|---|---|
Als je tot nog toe je systeem niet kon bijwerken, configureer dan nu je netwerktoegang en zorg dat alle beschikbare updates toegevoegd worden. |
Wil je je computernaam nog veranderen, dan kan dit in het tabblad van het menu → → . Ook als je geen netwerkverbinding hebt, is het eleganter om je computer toch een naam te geven, bijvoorbeeld om een mooie prompt te hebben in je terminal vensters. De domeinnaam kan je hier ook instellen. Behalve voor niet-genetwerkte computers, wordt dit tabblad enkel gebruikt wanneer je de IP instellingen manueel maakt, in plaats van dat je ze krijgt van een DHCP server.
De computernaam wordt opgeslagen in het bestand /etc/hosts, de domeinnaam in /etc/resolv.conf. Lees de man pagina's voor deze bestanden voor meer informatie. Deze bestanden vindt je op alle UNIX en UNIX-achtige computers. Deze bestanden zijn niet toegankelijk voor gewone gebruikers, daarom moet je als de gebruiker met administratieve rechten aangemeld zijn en je wachtwoord opgeven.
We zagen reeds het gebruik van de grafische interfaces om netwerkinstellingen te maken en te bekijken. Je kan de configuratie van de netwerkapparaten ook bekijken in een terminal venster. De nieuwste manier om dat te doen is door het ip commando in te geven als volgt:
willy@ubuntu:~$ipaddr show
Je krijgt dan output te zien gelijkaardig aan onderstaande blokken. Gemerkt met “1:” is de local loop:
1: lo: <LOOPBACK,UP> mtu 16436 qdics noqueue
link/loopback 00:00:00:00:00:00 brd 00:00:00:00:00:00
inet 127.0.0.1/8 scope host lo
inet6 ::1/128 scope host
valid_lft forever preferred_lft forever
Gemerkt met “2:” is de eigenlijke actieve netwerk interface:
2: eth0: <BROADCAST,MULTICAST,UP> mtu 1500 qdisc pfifo_fast qlen 1000
link/ether 00:0c:29:92:ce:de brd ff:ff:ff:ff:ff:ff
inet 10.2.3.96/24 brd 10.2.3.255 scope global eth0
inet6 fe80::20c:29ff:fe92:cede/64 scope link
valid_lft forever preferred_lft forever
Alle details vind je in de man pagina's van het ip commando. Een gedetailleerde referentie van de implementatie van het IP protocol lees je in man 7 ip. Voor deze beginnerscursus volstaat het echter volgende zaken op te merken:
Er zijn altijd twee netwerkinterfaces, zelfs op een systeem dat slechts over één enkele netwerkkaart beschikt: lo is de local loop, gebruikt voor interne netwerkcommunicatie, eth0 is de gebruikelijke naam voor de “echte” netwerkkaart. Verander nooit de local loop instellingen, of je machine zal slecht functioneren. De namen van de netwerkinterfaces zijn afhankelijk van het type netwerkapparaat, lo, eth en wlan, gevold door een nummer, zijn de meest voorkomende.
Het IP adres is aangeduid in de lijn die begint met “inet”. De local loop heeft altijd het adres 127.0.0.1, de andere interface(s) kunnen eender welke andere combinatie hebben.
Het hardware adres van de interface, dat je misschien nodig hebt om the authenticeren op een netwerk, is gemerkt met het sleutelwoord “ether”. De local loop heeft 6 paar nullen, de fysieke interface heeft 6 paar hexadecimale karakters die de interface uniek bepalen.
De ouderwetse manier om IP informatie op te vragen is door gebruik te maken van het ifconfig commando. Het geeft dezelfde informatie in een ietwat ander formaat. Zie de man pagina voor meer.
De naam van je computer vraag je op met het hostname commando:
willy@ubuntu:~$ hostname
ubuntu
De standaard Bash prompt bevat ook deze computernaam.
Vraag de domeinnaam op met het dnsdomainname commando:
willy@ubuntu:~$ dnsdomainname
mvg.vl
Je systeem houdt een tabel bij, waarin staat welke interface en welke router gecontacteerd moet worden om data naar een bepaald netwerk te sturen. Je kan deze tabel opvragen met het netstat commando:
willy@ubuntu:~$netstat-nrKernel IP routing table Destination Gateway Genmask Flags MSS Window irtt Iface 10.2.3.0 0.0.0.0 255.255.255.0 U 0 0 0 eth0 0.0.0.0 10.2.3.254 0.0.0.0 UG 0 0 0 eth0
Wat zien we hier?
Data die gestuurd moet worden naar computers op hetzelfde netwerk, in dit geval het netwerk met nummer 10.2.3.0, kunnen gewoon op het netwerk gezet worden. Er is geen speciale verkeersregelaar nodig. De interface die hiervoor gebruikt wordt, is eth0.
Data die naar een ander netwerk moeten (de lijn die begint met 0.0.0.0) gaan via de router of verkeerswisselaar met het adres 10.2.3.254, eveneens via de interface eth0.
Als je computer geen netwerkverbinding kan maken, hoewel hij toch een IP adres heeft, kan dit commando een indicatie geven van wat er misloopt. Er moet altijd een weg naar een verkeerswisselaar gekend zijn, anders kan er geen verbinding gemaakt worden met andere netwerken.
![]() | Routetabel met ip |
|---|---|
Ook met het ip commando kan je een tabel van de routes opvragen. Hoe? |
Gebruik het ping commando om te controleren of je een andere computer op het netwerk of op het Internet wel degelijk kan contacteren. Willy kijkt in onderstaand voorbeeld of hij de proxy server, die gewoon proxy heet in dit netwerk, kan contacteren (zie de paragraaf “WWW” voor meer over de functionaliteit van een proxy server.:
willy@ubuntu:~$pingproxyPING proxy.mvg.vl (10.2.21.222) 56(84) bytes of data. 64 bytes from proxy.mvg.be (10.2.21.222): icmp_seq 1 ttl=253 time=2.10ms 64 bytes from proxy.mvg.be (10.2.21.222): icmp_seq 2 ttl=253 time=0.953ms ^C
Sluit af met Ctrl+C.
Het commando vindt eerst het IP adres van de opgegeven machine en stuurt daar dan telkens een pakketje per seconde naartoe, dat de ontvanger moet terugkaatsen. Je kan zien dat dit kaatsen slechts enkele miliseconden in beslag neemt.
![]() | Een pakket |
|---|---|
Hoe laat je het ping commando slechts 1 enkel pakketje sturen? |
Naamresolutie, dat wil zeggen het zoeken van een IP adres dat hoort bij een bepaalde computernaam, kan je ook zelf doen, met behulp van het host commando:
willy@ubuntu:~$hostproxyproxy.mvg.vl has address 10.2.21.222
Dit commando werkt ook omgekeerd, je kan dus een IP-adres ingeven en je krijgt de computernaam terug:
willy@ubuntu:~$host10.2.21.222222.21.2.10.in-addr.arpa domain name pointer proxy.mvg.vl.
Meer info vind je in de man pagina's.
Je kan zien welke weg een pakket volgt naar een andere computer door het tracepath commando te gebruiken. Je krijgt dan alle tussenstops op weg naar de bestemming te zien:
willy@ubuntu:~$tracepathproxy1: 10.2.3.96 (10.2.3.96) 4.003ms pmtu 1500 2: conscience.mvg.vl (10.2.3.252) 2.856ms 3: boudewijn.mvg.vl (10.2.99.250) 2.527ms 4: proxy.mvg.vl (10.2.21.222) 34.516ms reached Resume: pmtu 1500 hops 3 back 3
Met dit commando kan je te weten komen waar een onderbreking zich bevindt, wanneer je een andere computer niet kan bereiken. De computer die het pad onderbreekt, zal in zo'n geval geen antwoord geven. Je ziet enkel sterretjes (*) in plaats van de de naam en het adres van die computer. Meer uitleg in de man pagina's van dit commando.
![]() | Grafisch gereedschap |
|---|---|
Vele van deze programma's hebben ook een grafische vorm. Start in de bovenste taakbalk van het bureaublad → → en bekijk de verschillende tabbladen. |